7 maart 2006

Els Iping (52) is door de leden van de PvdA binnenstad gekozen tot lijsttrekker in Stadsdeel Centrum. Wie is Els en wat wil ze de komende vier jaar bereiken?

Mijn man en ik zijn in Amsterdam geboren en getogen, de kinderen ook. We wonen sinds 1981 in de Nieuwmarkt­buurt. De binnenstad is een geweldige omgeving om op te groeien. Er is altijd iets te doen, er zijn fantastische dingen te beleven, er is een grote keus aan vriendjes. Ik vind het ook heel belang­rijk dat gezinnen in de binnenstad kunnen blijven wonen. Kinderen zorgen voor ontspanning tus­sen de drukte en gejaagdheid, ze beïnvloe­den de sfeer positief. En dat de jongens opgroeiden tussen de verslaafden heeft ze nooit gedeerd, dat was een wereld die los stond van die van hen. Bijkomend voordeel is wel dat ze goed weten wat de gevaren van drugs zijn. Ze vinden drugs­gebruikers ‘losers’, absoluut niet stoer.

Nooit in een andere stad gewoond?

Toen ik 21 was heb ik met mijn toen­malige echtgenoot een reis gemaakt op de fiets van Amsterdam naar Tanzania. Wij zijn anderhalf jaar weggeweest. Ik was helemaal niet zo’n sportfiguur hoor, de fiets was de goedkoopste manier van reizen en met elke dag een stukje kom je een heel eind. Die reis heeft een onuit­wis­­­bare indruk gemaakt.

En toen de politiek in?

De reis was in 1974. Ik ben onderwijzeres geweest, heb daarna carrière gemaakt in theatermanagement. Voor ik de politiek in ging was ik directeur van Its Inter­natio­naal Theaterschool festival. Verder maakte ik me nuttig met bestuursfuncties bij theatergezelschappen, de voetbalclub, de school en in de bewonersraad van de Nieuwmarkt. Eberhard van der Laan (ex fractievoorzitter PvdA) vertelde me dat dat een beetje de makke was van Amsterdam. Veel mensen zijn betrokken en doen goed werk bij het besturen van allerlei instellingen, maar als het over het besturen van je eigen stad gaat, geeft men niet thuis. Ik voelde me aangespro­ken. Dus toen het stadsdeel er kwam besloot ik dat ik daar actief in wilde zijn en heb me opgegeven.

U werd meteen maar wethouder, was dat geen grote overgang?

Ik had al veel leidinggevende ervaring. Daarnaast weet ik hoe een organisatie werkt, kan veel informatie verwerken en goed prioriteiten stellen. Het is hard werken, maar als werkende moeder was ik in elk geval gewend mijn tijd heel goed te managen. Dat is me allemaal wel van pas gekomen. Maar het belang­rijkst is toch dat ik weliswaar onervaren de politiek inging maar mét een visie: ik wist wat ik wilde bereiken voor de binnen­stad. Dat gaf me een stevige basis en dat was ook wel nodig, want de politiek is een mooi maar hard vak. Als festivaldirecteur was ik gewend dat iedereen het leuk vond, er werd altijd lovend over geschreven. Dat was meteen anders als bestuurder. Wat goed gaat is niet interessant in de politiek, men let op de fouten. Die worden breed uitgemeten en je lang nagedragen.

Wat heeft u kunnen bereiken in de afgelopen vier jaar?

Om te beginnen: alleen bereik je niets, je moet het met elkaar doen. Ik heb veel kunnen bereiken omdat ik draagvlak zoek en een organisatie kan inspireren. Onder mijn verantwoordelijkheid is nu de stad schoner. Alle schoolgebouwen zijn op orde, vier scholen hebben een uitbreiding gekregen of die wordt nu gebouwd. We hebben de speelplaatsen opgeknapt en er een aantal bijgemaakt, er zijn twee ontmoetingsruimtes voor ouderen bijgekomen. De bouwplannen voor het Haarlemmerplein zijn startklaar. Van het Blaauwlakenblok op de Wallen wordt de tweede fase nu gerestaureerd en gebouwd, we hebben ervoor gezorgd dat in de binnenstad de horeca­sluitings­tijden niet kunnen worden vrijgegeven, zoals de vvd wilde, maar dat daar een buurtplan voor nodig is. Ik heb buurt­con­ferenties georganiseerd met bewoners en ondernemers van de Wallen en van de Leidsebuurt. Beide hebben geresul­teerd in een plan van aanpak dat door de buurt gedragen wordt en waarvan de eerste resultaten al zichtbaar zijn. Voorlopig genoeg?

Zou dat allemaal zonder die deelraad ook niet zijn bereikt?

Ik denk het niet. Voor de deelraad er was, was de politiek vooral gericht op de grote lijnen. Een kinderspeelplaats erbij maken of de stad schoonhouden werd bijvoorbeeld als uitvoering gezien, daar hield een wethouder zich niet mee bezig. Maar juist die bestuurlijke aandacht was belangrijk. Niet alleen om dingen te veranderen die veel van de organisatie vergen, zoals de vegers achter de vuilnis­wagens laten komen, ook de aandacht op zich maakt al verschil. Daarnaast ben je als stadsdeel­bestuurder gericht op draag­vlak. Dan krijg je dingen voor elkaar.

Het fenomeen buurtconferenties is iets wat ik ben begonnen om op een andere manier met de bewoners en ondernemers van het centrum te overleggen. Dat is ook de bedoeling van stadsdelen: korte lijnen naar de burgers.

Buurtconferenties?

Ja. Ik wilde nieuwe manieren om met bewoners en ondernemers in een buurt te overleggen. Voorheen presenteerde het bestuur zelf een plan, organiseerde inspraak en dan mochten bewoners erop schieten. Ik wilde vooraf met de buurt praten. Weten wat er leeft in de buurt. Twee keer hadden we meer dan honderd deelnemers die aan ronde tafels met elkaar aan het werk waren, discussieer­den over hun buurt en met aanbevelin­gen kwamen.

Het feit dat zoveel mensen bereid zijn een mid­dag of avond lang op die manier te wer­ken aan hun buurt vind ik fantas­tisch en een teken van de betrokkenheid van bewoners en ondernemers van de binnenstad. Alle aanbevelingen die werden gedaan zijn meegenomen in het ‘plan van aanpak’ dat we voor beide buurten hebben gemaakt.

Bewoners en ondernemers willen toch allemaal wat anders?

Niemand wil precies hetzelfde, bewoners zijn het nooit allemaal met elkaar eens. Daarom vind ik ‘luisteren naar de burger’ ook zo’n rare kreet. Je moet in gesprek met elkaar. Er moet debat plaats­vinden. Waarna je als bestuur de knoop mag doorhakken. Daarbij ook rekening houdend met hen die niet aan het debat deelnemen. Kinderen, bijvoor­beeld of ouderen. Een heleboel mensen hebben helemaal geen zin of tijd om in te spreken of een brief te sturen. Zij zeggen: “Hoor eens, ik heb een gezin, ik werk hard. Ik heb op jou gestemd omdat ik geloof dat ik jou de binnenstad kan toevertrouwen.”

En wat gebeurt er in het centrum als we de stad de komende vier jaar aan Els Iping toe vertrouwen?

Het Haarlemmerplein wordt een prachtig buurtplein en een entree naar de binnenstad. Ik maak afspraken met corporaties over betaalbare woningen, ook voor gezinnen en mensen met een middeninkomen. Er worden ouderen­wonin­gen gebouwd en bestaande woningen aangepast. In elke buurt komt een ‘Huis van de Buurt’, het centrum van de wijk waar buurtgroepen bijeen komen, waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en aan activiteiten deelnemen, en waar ze terecht kunnen voor infor­matie en advies over wonen, zorg en welzijn. Elke buurt krijgt een speelplan met veilige routes voor kinderen tussen thuis, school, het buurthuis, de speel­plaatsen. Evenementen worden beoor­deeld op kwaliteit en zijn voor iedereen toegan­kelijk. De Dam wordt weer ons nationale plein, met een mooie grote kerstboom in december zonder reclame. De ijsbaan gaat naar het Beursplein of het Leidseplein. De wallen worden leefbaarder. De sluitingstijden van de horeca kunnen alleen ruimer nadat er per buurt een plan is gemaakt.

Over de enorme economische belangen van het centrum voor Amsterdam hoor ik niet zo veel van de PvdA.

De economische kracht van Amsterdam centrum zit in de creatieve industrie, de culturele uitstraling en het gevarieerde winkelaanbod. Dat betekent dat we juist die kwaliteit moeten stimuleren en bevorderen. De vvd zegt: we moeten zor­gen dat mensen hun geld in de binnen­stad uitgeven en niet in Amstelveen. Dat vind ik wel een heel beperkte visie op economie. Een slechte kerstmarkt levert economisch meer schade op dan voordeel.

De binnenstad trekt mensen die op zoek zijn naar trends, naar kwaliteit, naar design. De vele bedrijven in de creatieve industrie hebben het contact met elkaar nodig en zoeken elkaar op. Dat heeft weer uitstraling naar de omgeving, naar de horeca en winkels die een bepaald publiek aanspreken en daardoor gedijen. Dus goed voor de werk­gelegenheid. Een markt met rommel op de Dam die in elk winkel­centrum in de provincie te krijgen is voegt daar niets aan toe.

Hetzelfde geldt voor evenemen­ten. Evenementen die de stad als decor gebruiken om zoveel mogelijk mensen te trekken doen niets voor de binnenstad. Evenementen moeten juist de kwaliteit, de cultuur, het karakter van de binnen­stad versterken. En vrij toegan­kelijk zijn. Het blijft openbare ruimte, er mag geen hek omheen.

Wilt u stadsdeel­voorzit­ter worden?

Ja, dat zou ik graag doen en ook goed kunnen. Ik ben gericht op saamhorig­heid en samen­werking, niet op de confrontatie. Het heeft meer zin om te werken vanuit gezamenlijke belangen en gedeelde verantwoordelijkheden. Het is van groot belang dat de samen­werking met de centrale stad goed is. We kunnen elkaar wel steeds in de haren vliegen, maar daar schiet de binnenstad uiteindelijk niets mee op.

Een levendige, goed onderhouden binnenstad van Amsterdam is in ieders belang. Dat moet het uitgangspunt zijn. Als voorzitter van het bestuur ben je ambassadeur van de binnenstad, waarbij je naar buiten toe in de gemeente de belangen van de binnenstad verdedigt als het gaat om budgettten, politie­capaciteit, stadsdeeloverschrijdend beleid. Maar naar binnentoe ben je als voorzitter de samenbindende factor die er voor probeert te zorgen dat de bewoners van de binnenstad hun eigen buurt kunnen ‘maken’.